Interview met vertrekkend secretaris IJsbrand Haagsma

4TU Delft
4TU Eindhoven
4TU Twente
4TU Wageningen
  • Delen
"Ik heb 4TU zich vanuit de inhoud zien ontwikkelen tot een krachtige en slagvaardige organisatie met initiatieven die meerwaarde hebben voor de maatschappij."
IJsbrand Haagsma

Secretaris IJsbrand Haagsma vertrekt per 1 november bij de 4TU.Federatie om zijn loopbaan voort te zetten als Special Envoy for Public Affairs bij de Universiteit Twente. 4TU interviewde hem om terug te blikken op zijn acht jaar secretarisschap.

Acht jaar secretaris, is acht jaar 4TU.Federatie?
Nee, de 4TU.Federatie bestaat al langer. Het initiatief is genomen in 2005 en geformaliseerd in 2007. In het begin was het nog 3TU met Delft, Eindhoven en Twente. Wageningen zat er toen nog niet bij. Zelf kwam ik er pas in 2012 bij.

Hoe is het begonnen?
Het initiatief om de krachten als technische universiteiten te bundelen, is ontstaan vanuit het bedrijfsleven en de overheid. We spreken van een hele andere tijd. Scholieren - en helemaal meisjes- interesseerden zich niet voor technische studies. Campagnes als “Kies Exact” en “Een slimme meid …” in de jaren 80 en 90 genoten een grote bekendheid, maar sorteerden niet het gewenste effect. Met de lage studentenaantallen die er toen waren, was de druk hoog om meer samen te werken. Zo is het idee van een federatie ontstaan, vanuit de gedachte dat als je in technische universiteiten wilt investeren, dat doelmatig moet gebeuren. Het activiteitenplan “Meer Betere Bèta’s” en later het Techniekpact waren nodig om de aantallen omhoog te krijgen. Wij hebben dat vertaald naar het 3TU Sectorplan Technologie 2011-2015 waarmee we met steun van OCW de instroom enorm hebben weten te vergroten.

Ging het samenwerken meteen goed?
Ja zeker, ook al zijn we daarin nog verder gegroeid. De samenwerking is altijd vanuit de inhoud gedreven geweest en is dat nog. In het begin werd er nog regelmatig gesproken over de onderlinge verdeling van de beschikbare middelen. Door het gegroeide onderlinge vertrouwen zijn die discussies naar de achtergrond verschoven.

Die inhoudelijke gerichtheid zie je ook heel mooi terugkomen in de wijze waarop we ons onderzoek nu organiseren. Aanvankelijk deden we dat met vijf centres of excellence, georganiseerd vanuit het principe van zwaartepuntvorming. Door meer focus en massa ontwikkelen op zwaartepunten wordt een hogere kwaliteit en grotere herkenbaarheid gerealiseerd, zoals dat nog steeds het geval is bij de huidige discipline georiënteerde sectorplannen bèta en techniek. Steeds meer hebben we als federatie de stap gezet naar het denken vanuit de maatschappelijke uitdagingen die er liggen. Dat zie je heel mooi terugkomen in huidige onderzoeksprogramma’s zoals het High Tech for a Sustainable Future programma. Daarin werken 4TU onderzoekers aan concrete oplossingen voor de land- en tuinbouw, ons eet- en beweeggedrag, gezondheid, robotica en een veerkrachtige samenleving.

"We delen als technische universiteiten met elkaar een rationele kijk op de wereld met een wil om dingen te creëren en naar oplossingen te zoeken."

Wat is het succes van die samenwerking?
Ik denk dat de belangrijkste drijfveer daarin de vergelijkbare werkcultuur is die we alle vier hebben. We delen als technische universiteiten met elkaar een rationele kijk op de wereld met een wil om dingen te creëren en naar oplossingen te zoeken.

Ook is het de trots op de dingen die we samen realiseren zoals DEAN, het netwerk van TU-alumni in het buitenland of 4TU.IMPACT. Dat laatste netwerk is ontstaan vanuit het gesprek tussen de valorisatiedirecteuren die vonden dat ze veel meer dingen samen konden doen en maar een klein bestuurlijk zetje nodig hadden om dat daadwerkelijk te realiseren.

Veel van dit soort samenwerking is vanuit de werkvloer ontstaan, bestuurlijk omarmd en waar nodig van een budget voorzien. En er is steeds meer het besef ontstaan dat je sterker overkomt als je elkaar kan vertegenwoordigen, bijvoorbeeld in de discussie over de bekostiging, of in gesprekken met het ministerie van EZK over maatschappelijke en economische impact. Laatst werd geconstateerd dat we dat in Europa nog maar weinig doen, dat wordt dan meteen vertaald in een nieuwe ambitie.

Daarbij beseffen we terdege dat ook de samenwerking met andere partners nodig is. Om van betekenis te kunnen zijn voor de maatschappij, moet je ook samenwerken met andere wetenschappelijke domeinen. Dat wordt voor de technische universiteiten steeds belangrijker en is onderdeel van de 4TU-strategie voor 2020-2025.

Wat zijn in die acht jaar de mooiste successen die je hebt meegemaakt?
Als ik chronologisch terugkijk dan zie ik een paar mooie dingen die ontstaan zijn. Allereerst was dat de oprichting van het Centre for Engineering Education (CEE). Dat is gegroeid van een ruwe schets op papier naar een succesvol, internationaal erkend centre. Jan van de Veen en Perry den Brok hebben, met ondersteuning van mijn collega Linda Baljeu, het centre van de grond af aan opgebouwd. Dat was echt pionieren en leuk om te zien hoe die ruwe schets zich inmiddels heeft ontwikkeld. Heel zichtbaar is de innovation map, een rijke database vol onderwijsinnovaties die goed bezocht wordt door mensen binnen en buiten de universiteiten.

Het tweede succes is de aansluiting van Wageningen University. Bij de oprichting van de federatie is wel gepolst of Wageningen ook mee wilde doen, maar die behoefte was er toen niet. Het is kwalitatief een goede universiteit en ze waren blij met hun autonomie. Totdat er vragen kwamen vanuit het bedrijfsleven waarvoor naast expertise op het gebied van landbouw en voeding ook kennis op het gebied van hightech nodig bleek te zijn. We zijn met elkaar vanuit de inhoud een discussie aangegaan en hebben gekeken of we die vragen effectiever met z’n vieren konden beantwoorden. Dat antwoord was snel gegeven en ik heb de indruk dat iedereen nog steeds blij is met de stap die in 2016 is gezet.

Ook is het ons gelukt om het voor de technische universiteiten belangrijke punt van de bekostiging op de politieke agenda te zetten. Er waren grote zorgen of we de grote aantallen bètatechnici ook daadwerkelijk konden opleiden en het toenemend aantal studentenstops leidde tot grote onvrede bij het bedrijfsleven. Uiteindelijk heeft de politiek gekozen voor een herverdeling van het geld tussen de universiteiten. Die politieke keuze heeft spijtig genoeg enige tijd geleid tot spanningen tussen de technische en algemene universiteiten. We hadden veel liever gewild dat er extra geld voor bètatechniek was vrijgemaakt, en dat dit niet bij de algemene universiteiten werd weggehaald. Het blijft wel belangrijk dat het op de agenda is gezet. De groei van studenten en de achterlopende kosten daarbij zijn in de bètatechniek echt extreem.

"Ook dat is typisch 4TU, die inhoud waar wetenschappers op aanslaan en hen drijfveren geeft om continue op zoek te gaan naar nieuwe middelen!"

Tot slot wil ik nog even stilstaan bij het al eerdergenoemde HTSF-programma. Naast dat dit programma hele mooie resultaten voor de samenleving gaat opleveren, is dit ook een ideaal instrument om samenwerkingen langdurig te verankeren. In deze programma’s werken talentvolle senior onderzoekers, tenuretrackers, met een team aan een maatschappelijk thema. Doordat de onderzoekers allemaal op hetzelfde moment beginnen en samen aanvragen doen, ontstaat een stevige community. De verwachting is dat dit soort contacten blijvend zijn. Ook dat is typisch 4TU, die inhoud waar wetenschappers op aanslaan en hen drijfveren geeft om continue op zoek te gaan naar nieuwe middelen!

En dan kijken we vooruit. Wat ga je straks missen?
Ik ga denk ik de dingen missen die er nu aan het bloeien zijn. Zo is er nu vanuit het sectorplan onderwijs bètatechniek een samenwerking aan het ontstaan tussen de bètafaculteiten en de techniekfaculteiten. Door samen op te trekken, kan meer impact worden gemaakt. Zo wordt gezamenlijk gewerkt aan de capaciteitsuitbreiding om meer informaticastudenten op te leiden en die capaciteit zo goed mogelijk over het land te verspreiden. Informatici zijn steeds meer nodig voor de nieuwe beroepen in de data science, kunstmatige intelligentie en cyber security.

Elke instelling heeft daarnaast zijn eigen profiel en de inhoud van de opleiding is bij de ene instelling net weer anders dan bij de andere instelling. Een beter geïnformeerde keuze door de scholieren voorkomt uitval of switch naar een opleiding buiten de bètatechniek. Nu wordt een scholier daar nauwelijks in geholpen. De opleidingen ICT of informatica zijn zo gevarieerd. Neem alleen al de richting Kunstmatige Intelligentie. Daaronder vallen het bouwen van algoritmes, maar ook de taal die je gebruikt voor software als SIRI en ook hoe je gedrag kunt beïnvloeden. En daarbij komt dat het wetenschappelijk onderwijs niet altijd een betere keuze is dan het hoger beroepsonderwijs. Door goed te luisteren naar wat de scholier wil, is de kans groter dat die op de juiste plek belandt.

Wat ik zeker ook ga missen is de follow-up van de Techrede. In de Techrede laten we zien wat de politiek moet doen aan het realiseren van snelle innovaties. Daar is het Nationaal Groeifonds een mooiste eerste aanzet voor, maar er moet nog veel worden uitgewerkt. Graag zou ik betrokken zijn gebleven bij de follow-up daarvan richting de verkiezingen. Gelukkig blijf ik in mijn werk voor de Universiteit Twente nog nauw betrokken bij dit onderwerp.

Dan komen we bij de laatste vraag, gaan we je nog tegenkomen?
Dat is zeker de bedoeling. Ik ga onder andere de Universiteit Twente vertegenwoordigen in Den Haag. Aangezien de UT onderdeel is van 4TU zal over bepaalde onderwerpen zeker afstemming met de andere drie universiteiten plaatsvinden. In mijn nieuwe rol zal ik veel van mijn 4TU-collega’s weer tegenkomen.

IJsbrand Haagsma is Gronings ingenieur. Na zijn opleiding technische mechanica ging hij aan de slag als onderzoeker bij de faculteit Civiele Techniek van de TU Delft en hielp daar bij de ontwikkeling van het golfvoorspellingsmodel SWAN. Na een carrièreswitch werd hij in 2005 secretaris van de faculteit werktuigbouwkunde, maritieme techniek en materiaalwetenschappen. Voordat hij in 2012 werd benoemd als secretaris van de 3TU.Federatie was hij twee jaar lang voorzitter van de afdeling materiaalwetenschappen. In die periode gaf hij leiding aan een reorganisatie en zorgde hij voor een structurele bijdrage vanuit het bedrijfsleven.

Haagsma is als vrijwilliger al meer dan 13 jaar bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond. Veel plezier beleeft hij aan het coachen van talentvolle roeiers. Een aantal van zijn pupillen bereiden zich momenteel voor op deelname aan de uitgestelde Olympische Spelen in Tokio.

Interview met vertrekkend secretaris IJsbrand Haagsma

"Ik heb 4TU zich vanuit de inhoud zien ontwikkelen tot een krachtige en slagvaardige organisatie met initiatieven die meerwaarde hebben voor de maatschappij."
IJsbrand Haagsma

Secretaris IJsbrand Haagsma vertrekt per 1 november bij de 4TU.Federatie om zijn loopbaan voort te zetten als Special Envoy for Public Affairs bij de Universiteit Twente. 4TU interviewde hem om terug te blikken op zijn acht jaar secretarisschap.

Acht jaar secretaris, is acht jaar 4TU.Federatie?
Nee, de 4TU.Federatie bestaat al langer. Het initiatief is genomen in 2005 en geformaliseerd in 2007. In het begin was het nog 3TU met Delft, Eindhoven en Twente. Wageningen zat er toen nog niet bij. Zelf kwam ik er pas in 2012 bij.

Hoe is het begonnen?
Het initiatief om de krachten als technische universiteiten te bundelen, is ontstaan vanuit het bedrijfsleven en de overheid. We spreken van een hele andere tijd. Scholieren - en helemaal meisjes- interesseerden zich niet voor technische studies. Campagnes als “Kies Exact” en “Een slimme meid …” in de jaren 80 en 90 genoten een grote bekendheid, maar sorteerden niet het gewenste effect. Met de lage studentenaantallen die er toen waren, was de druk hoog om meer samen te werken. Zo is het idee van een federatie ontstaan, vanuit de gedachte dat als je in technische universiteiten wilt investeren, dat doelmatig moet gebeuren. Het activiteitenplan “Meer Betere Bèta’s” en later het Techniekpact waren nodig om de aantallen omhoog te krijgen. Wij hebben dat vertaald naar het 3TU Sectorplan Technologie 2011-2015 waarmee we met steun van OCW de instroom enorm hebben weten te vergroten.

Ging het samenwerken meteen goed?
Ja zeker, ook al zijn we daarin nog verder gegroeid. De samenwerking is altijd vanuit de inhoud gedreven geweest en is dat nog. In het begin werd er nog regelmatig gesproken over de onderlinge verdeling van de beschikbare middelen. Door het gegroeide onderlinge vertrouwen zijn die discussies naar de achtergrond verschoven.

Die inhoudelijke gerichtheid zie je ook heel mooi terugkomen in de wijze waarop we ons onderzoek nu organiseren. Aanvankelijk deden we dat met vijf centres of excellence, georganiseerd vanuit het principe van zwaartepuntvorming. Door meer focus en massa ontwikkelen op zwaartepunten wordt een hogere kwaliteit en grotere herkenbaarheid gerealiseerd, zoals dat nog steeds het geval is bij de huidige discipline georiënteerde sectorplannen bèta en techniek. Steeds meer hebben we als federatie de stap gezet naar het denken vanuit de maatschappelijke uitdagingen die er liggen. Dat zie je heel mooi terugkomen in huidige onderzoeksprogramma’s zoals het High Tech for a Sustainable Future programma. Daarin werken 4TU onderzoekers aan concrete oplossingen voor de land- en tuinbouw, ons eet- en beweeggedrag, gezondheid, robotica en een veerkrachtige samenleving.

"We delen als technische universiteiten met elkaar een rationele kijk op de wereld met een wil om dingen te creëren en naar oplossingen te zoeken."

Wat is het succes van die samenwerking?
Ik denk dat de belangrijkste drijfveer daarin de vergelijkbare werkcultuur is die we alle vier hebben. We delen als technische universiteiten met elkaar een rationele kijk op de wereld met een wil om dingen te creëren en naar oplossingen te zoeken.

Ook is het de trots op de dingen die we samen realiseren zoals DEAN, het netwerk van TU-alumni in het buitenland of 4TU.IMPACT. Dat laatste netwerk is ontstaan vanuit het gesprek tussen de valorisatiedirecteuren die vonden dat ze veel meer dingen samen konden doen en maar een klein bestuurlijk zetje nodig hadden om dat daadwerkelijk te realiseren.

Veel van dit soort samenwerking is vanuit de werkvloer ontstaan, bestuurlijk omarmd en waar nodig van een budget voorzien. En er is steeds meer het besef ontstaan dat je sterker overkomt als je elkaar kan vertegenwoordigen, bijvoorbeeld in de discussie over de bekostiging, of in gesprekken met het ministerie van EZK over maatschappelijke en economische impact. Laatst werd geconstateerd dat we dat in Europa nog maar weinig doen, dat wordt dan meteen vertaald in een nieuwe ambitie.

Daarbij beseffen we terdege dat ook de samenwerking met andere partners nodig is. Om van betekenis te kunnen zijn voor de maatschappij, moet je ook samenwerken met andere wetenschappelijke domeinen. Dat wordt voor de technische universiteiten steeds belangrijker en is onderdeel van de 4TU-strategie voor 2020-2025.

Wat zijn in die acht jaar de mooiste successen die je hebt meegemaakt?
Als ik chronologisch terugkijk dan zie ik een paar mooie dingen die ontstaan zijn. Allereerst was dat de oprichting van het Centre for Engineering Education (CEE). Dat is gegroeid van een ruwe schets op papier naar een succesvol, internationaal erkend centre. Jan van de Veen en Perry den Brok hebben, met ondersteuning van mijn collega Linda Baljeu, het centre van de grond af aan opgebouwd. Dat was echt pionieren en leuk om te zien hoe die ruwe schets zich inmiddels heeft ontwikkeld. Heel zichtbaar is de innovation map, een rijke database vol onderwijsinnovaties die goed bezocht wordt door mensen binnen en buiten de universiteiten.

Het tweede succes is de aansluiting van Wageningen University. Bij de oprichting van de federatie is wel gepolst of Wageningen ook mee wilde doen, maar die behoefte was er toen niet. Het is kwalitatief een goede universiteit en ze waren blij met hun autonomie. Totdat er vragen kwamen vanuit het bedrijfsleven waarvoor naast expertise op het gebied van landbouw en voeding ook kennis op het gebied van hightech nodig bleek te zijn. We zijn met elkaar vanuit de inhoud een discussie aangegaan en hebben gekeken of we die vragen effectiever met z’n vieren konden beantwoorden. Dat antwoord was snel gegeven en ik heb de indruk dat iedereen nog steeds blij is met de stap die in 2016 is gezet.

Ook is het ons gelukt om het voor de technische universiteiten belangrijke punt van de bekostiging op de politieke agenda te zetten. Er waren grote zorgen of we de grote aantallen bètatechnici ook daadwerkelijk konden opleiden en het toenemend aantal studentenstops leidde tot grote onvrede bij het bedrijfsleven. Uiteindelijk heeft de politiek gekozen voor een herverdeling van het geld tussen de universiteiten. Die politieke keuze heeft spijtig genoeg enige tijd geleid tot spanningen tussen de technische en algemene universiteiten. We hadden veel liever gewild dat er extra geld voor bètatechniek was vrijgemaakt, en dat dit niet bij de algemene universiteiten werd weggehaald. Het blijft wel belangrijk dat het op de agenda is gezet. De groei van studenten en de achterlopende kosten daarbij zijn in de bètatechniek echt extreem.

"Ook dat is typisch 4TU, die inhoud waar wetenschappers op aanslaan en hen drijfveren geeft om continue op zoek te gaan naar nieuwe middelen!"

Tot slot wil ik nog even stilstaan bij het al eerdergenoemde HTSF-programma. Naast dat dit programma hele mooie resultaten voor de samenleving gaat opleveren, is dit ook een ideaal instrument om samenwerkingen langdurig te verankeren. In deze programma’s werken talentvolle senior onderzoekers, tenuretrackers, met een team aan een maatschappelijk thema. Doordat de onderzoekers allemaal op hetzelfde moment beginnen en samen aanvragen doen, ontstaat een stevige community. De verwachting is dat dit soort contacten blijvend zijn. Ook dat is typisch 4TU, die inhoud waar wetenschappers op aanslaan en hen drijfveren geeft om continue op zoek te gaan naar nieuwe middelen!

En dan kijken we vooruit. Wat ga je straks missen?
Ik ga denk ik de dingen missen die er nu aan het bloeien zijn. Zo is er nu vanuit het sectorplan onderwijs bètatechniek een samenwerking aan het ontstaan tussen de bètafaculteiten en de techniekfaculteiten. Door samen op te trekken, kan meer impact worden gemaakt. Zo wordt gezamenlijk gewerkt aan de capaciteitsuitbreiding om meer informaticastudenten op te leiden en die capaciteit zo goed mogelijk over het land te verspreiden. Informatici zijn steeds meer nodig voor de nieuwe beroepen in de data science, kunstmatige intelligentie en cyber security.

Elke instelling heeft daarnaast zijn eigen profiel en de inhoud van de opleiding is bij de ene instelling net weer anders dan bij de andere instelling. Een beter geïnformeerde keuze door de scholieren voorkomt uitval of switch naar een opleiding buiten de bètatechniek. Nu wordt een scholier daar nauwelijks in geholpen. De opleidingen ICT of informatica zijn zo gevarieerd. Neem alleen al de richting Kunstmatige Intelligentie. Daaronder vallen het bouwen van algoritmes, maar ook de taal die je gebruikt voor software als SIRI en ook hoe je gedrag kunt beïnvloeden. En daarbij komt dat het wetenschappelijk onderwijs niet altijd een betere keuze is dan het hoger beroepsonderwijs. Door goed te luisteren naar wat de scholier wil, is de kans groter dat die op de juiste plek belandt.

Wat ik zeker ook ga missen is de follow-up van de Techrede. In de Techrede laten we zien wat de politiek moet doen aan het realiseren van snelle innovaties. Daar is het Nationaal Groeifonds een mooiste eerste aanzet voor, maar er moet nog veel worden uitgewerkt. Graag zou ik betrokken zijn gebleven bij de follow-up daarvan richting de verkiezingen. Gelukkig blijf ik in mijn werk voor de Universiteit Twente nog nauw betrokken bij dit onderwerp.

Dan komen we bij de laatste vraag, gaan we je nog tegenkomen?
Dat is zeker de bedoeling. Ik ga onder andere de Universiteit Twente vertegenwoordigen in Den Haag. Aangezien de UT onderdeel is van 4TU zal over bepaalde onderwerpen zeker afstemming met de andere drie universiteiten plaatsvinden. In mijn nieuwe rol zal ik veel van mijn 4TU-collega’s weer tegenkomen.

IJsbrand Haagsma is Gronings ingenieur. Na zijn opleiding technische mechanica ging hij aan de slag als onderzoeker bij de faculteit Civiele Techniek van de TU Delft en hielp daar bij de ontwikkeling van het golfvoorspellingsmodel SWAN. Na een carrièreswitch werd hij in 2005 secretaris van de faculteit werktuigbouwkunde, maritieme techniek en materiaalwetenschappen. Voordat hij in 2012 werd benoemd als secretaris van de 3TU.Federatie was hij twee jaar lang voorzitter van de afdeling materiaalwetenschappen. In die periode gaf hij leiding aan een reorganisatie en zorgde hij voor een structurele bijdrage vanuit het bedrijfsleven.

Haagsma is als vrijwilliger al meer dan 13 jaar bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond. Veel plezier beleeft hij aan het coachen van talentvolle roeiers. Een aantal van zijn pupillen bereiden zich momenteel voor op deelname aan de uitgestelde Olympische Spelen in Tokio.